Bigi Busi
๐๐ฒ๐ฒ๐น ๐ญ: ๐๐ฒ ๐๐ฒ๐ฒ๐๐๐ฒ๐ป ๐๐ฎ๐ป ๐ ๐ฎ๐๐ฎ๐ฝ๐ถ ๐ฃ๐ฎ๐๐ถ
Sommige plekken in het Surinaamse binnenland zijn niet bedoeld voor mensen om lang te blijven. Zeker niet wanneer de zon ondergaat en de stilte van de jungle alles overneemt. Guno en zijn vrouw Sulaika woonden in Apoera en waren net een paar maanden getrouwd. Het was december 2022 en de feestdagen stonden voor de deur.
Zoals elk jaar rond Kerst en Oud & Nieuw sluiten de goud- en houtbedrijven in het binnenland hun deuren voor de zogenaamde Broko Wroko. De Chinese eigenaren van het houtbedrijf waar Guno destijds voor wilde werken, zochten dringend naar een betrouwbaar echtpaar dat tegen betaling twee weken op de kampen en machines wou passen tijdens de feestdagen.
“Het is maar voor twee weekjes,” zei Guno enthousiast tegen Sulaika. “We zijn net getrouwd, het is een mooie kans om wat extra geld te verdienen en we vieren Kerst en Jaarwisseling lekker romantisch samen in de natuur.”
Sulaika twijfelde even, maar ging akkoord. Ze hadden geen idee dat die twee weken zouden veranderen in een ijzingwekkende week vol kille nachtmerries.
Op 22 december 2022 stond het vervoer klaar. Een zware Hilux-pick-up haalde hen op. De vader van Sulaika reed mee om hen weg te brengen. Guno dacht dat ze gewoon op de bekende Matapi Pasi in het Kabalebo-gebied zouden blijven. Maar eenmaal daar aangekomen, sloeg de vader een smalle, dichtgegroeide en onverharde zijweg in. Een weg die onder de bewoners van het gebied een beruchte bijnaam heeft: Never Road.
Het was al diep in de middag toen ze arriveerden. Er was geen stroom, geen verlichting, helemaal niets. Het kamp bestond uit een paar houten logeergebouwen en een losstaande keuken. De vader van Sulaika zette Guno, zijn dochter en Sulaika’s oude opa af op de post. De opa was er al eerder die dag aangekomen om de deuren te openen. Nadat de vader de spullen had uitgeladen, waarschuwde hij hen nog kort, stapte in zijn pick-up en reed terug naar Apoera. Ze bleven met z’n drieรซn achter op die verlaten plek, omsingeld door honderden kilometers meedogenloos oerwoud.
Toen de schemering inviel, werd het pikdonker. Guno en zijn opa maakten buiten een reusachtige stapel houtblokken aan en staken een groot vuur aan om de wilde dieren op afstand te houden. Binnen in hun kamer gebruikten ze kokolampu’s (olielampen) om toch wat licht te hebben.
Maar rond een uur of acht ‘s avonds veranderde de sfeer in de bigi busi compleet.
Het begon met gefluit. Eerst zachtjes, daarna van meerdere kanten tegelijk. Het was geen geluid van vogels, en ook niet van de bekende nachtdieren die Guno kende van de jacht. Het was het gure, kille geluid van wat de mensen in het binnenland Jumbie Froitie noemenโhet gefluit van de geesten van het bos. Het kwam van achter de machines, uit de toppen van de bomen en vanaf de donkere Never Road.
Guno en Sulaika keken elkaar angstig aan bij het flikkerende licht van de kokolampu, maar de opa maande hen tot stilte. “Geef het geen aandacht,” fluisterde de oude man. “Kijk niet naar buiten en antwoord niet.”
Ze overleefden de eerste nacht zonder grote incidenten. Maar toen Guno de volgende ochtend, op 23 december rond 05:30 uur, naar buiten stapte om water te pakken, verstijfde hij. Ongeveer 25 meter verderop op de zandweg stond een gedaante. De figuur stond roerloos in de ochtendmist te kijken. Guno dacht dat het een lokale jager was die op anjumara’s kwam vissen en sloeg er verder geen acht op.
Het echte drama begon pas op 24 decemberโKerstavond.
Rond tien uur ‘s morgens was de opa nergens te bekennen. Guno nam aan dat de oude man was gaan vissen in de kreek of hout was gaan hakken. Plotseling klonk er een luide, bekende stem vanaf de keukenzijde, ongeveer 15 meter verderop:
“Oeng kong njan, mi kba bori!” (Komen jullie eten, ik ben al klaar met koken!)
De stem klonk precies, maar dan ook รฉcht exact als de rauwe stem van de opa. Sulaika glimlachte blij. “Kom, opa heeft verse anjumara in peperwater voor ons gemaakt!”
Samen liepen ze naar de open keuken. Maar toen ze daar aankwamen, sloeg de schrik hen om het hart. De kookpotten waren koud. Er brandde geen vuur. De keuken was helemaal leeg. Er was helemaal niemand.
“Opa?” riep Guno twijfelachtig. Geen antwoord. De wind woei zachtjes door de bladeren. Het kippenvel staat dik op hun armen.
Terwijl ze met kloppend hart terugliepen naar hun kamer, zagen ze plotseling de รฉchte opa aan lopen komen vanaf het bospad aan de andere kant van het terrein, met een hengel in zijn hand en een paar verse vissen.
“U… u was in de keuken?” stotterde Sulaika lijkbleek.
Opa keek hen ernstig aan. “Nee hoor. Ik ben al vanaf zes uur vanochtend bij de kreek. Ik kom nu pas terug.”
Guno en Sulaika keken elkaar aan in pure shock. Wieโof watโhad hen dan zojuist met de exacte stem van opa geroepen om naar de keuken te komen?
Voordat ze van de schrik konden bekomen, klonk er opeens een ijswekkend gegil vanuit het diepe bos. Drie keer achter elkaar. Het klonk als een mens die in doodsnood verloren was gelopen. Guno, die de neiging voelde om terug te schreeuwen om te helpen, werd direct bij zijn arm gegrepen door de opa.
“Blijf stil! Geef geen antwoord!” beet de oude man hem toe. “Wat je nu hoort is geen mens. We zijn diep op Never Road. Geen jager schreeuwt zo in het bos. Vanaf nu… is het begonnen.”
En opa kreeg gelijk. Om drie uur die middag hoorden ze plotseling het geluid van een hele groep mensen die vlak achter hun logeergebouw liepen, praatten en luid lachten. Vijf minuten lang, alsof er een druk feestje gaande was midden in de jungle. En daarna… viel het weer sprakeloos stil.
De nacht van Kerstavond brak aan. Tussen 22:00 en 23:00 uur, terwijl Guno, Sulaika en opa opgesloten in hun kamer zaten, begon het fysieke geweld.
BANG! BANG! BANG!
Er werd met brute kracht op hun kamerdeur geschopt. Voetstappen renden over de houten gang. Daarna klonk er weer gejank rond het gebouw: “Jooowww… Joooww!” gevolgd door harde klappen tegen de buitenwanden.
Rond 01:00 uur ‘s nachts lag Sulaika trillend in bed. Guno kon de slaap niet vatten. Plotseling hoorden ze buiten voetstappen op het erf. En toen klonk er een stem vlak voor het raam van hun slaapkamer.
Het was de stem van Sulaika’s vader.
“Maak open voor me… Ik ben gekomen van Apoera om jullie op te halen. Maak snel de deur open…”
Sulaika, alsof ze in een diepe trance raakte en niet meer zichzelf was, stond op uit bed. Met glazige ogen liep ze richting de voordeur om de grendel eraf te halen. “Mijn vader is er…” fluisterde ze afwezig.
Guno sprong uit bed en greep haar arm met alle kracht die hij in zich had. “Sulaika, nee! Je vader is op Apoera! Hij zou nooit midden in de nacht over Never Road rijden! Dat is je vader niet!”
Guno trok haar hardhandig terug. Buiten bleef die kille stem roepen, terwijl de deuren en ramen klapperden in de nacht…
๐๐ ๐๐๐๐ก๐ญ ๐ฏ๐๐ง ๐ก๐๐ญ ๐๐๐๐ก๐ญ๐ ๐๐ฐ๐๐๐ซ

De nacht van Kerstavond voelde als een eeuwigheid. Buiten de kamer bleef die vervalste stem roepen om de deur open te maken, maar Guno hield Sulaika stevig vast totdat het eerste ochtendlicht door de kieren van de houten wanden drong. Pas rond 05:30 uur trok de ijzige aanwezigheid op het erf langzaam weg. De rust keerde schijnbaar terug in de bigi busi, maar Guno en Sulaika wisten dat ze een beestachtig mysterie hadden overleefd.
“We moeten iets tegen dit ding doen,” zei Guno vastberaden tegen Sulaika terwijl ze op adem kwamen. “Dit kunnen we niet nog een nacht zo laten gebeuren.”
Rond 07:30 uur klonk er plotseling het vertrouwde geluid van een automotor op het erf. De echte vader van Sulaika was aangekomen vanuit Apoera, en hij had het hele gezin meegenomen: Sulaika’s moeder, haar zusje, haar jongere broertje รฉn haar oudere broer. Ze waren gekomen om de feestdagen samen op de post door te brengen, niet wetende in wat voor wespennest het pasgetrouwde stel de nacht had doorgebracht.
Toen Sulaika haar familie emotioneel omhelsde, deed ze direct het hele verhaal uit de doeken. Ze vertelde over het gefluit, het gefop met de stem van opa bij de keuken, het gebeuk op de houten deuren, en hoe de entiteit ‘s nachts de stem van hun eigen vader had gebruikt om de deur te ontgrendelen.
Haar broer, een ervaren en geharde jager uit het gebied, hoorde het verhaal aan. Hij lachte kort, maar zijn ogen stonden strak en serieus. Hij maakte zich niet snel bang.
“Maak je niet druk,” zei de broer kalm tegen Sulaika en Guno. “Ik ben er nu. Ik wil zelf zien wat voor ding hier durft te komen. Vanochtend ben ik gekomen om te jagen, maar vanavond gaan we op jacht naar dรฉze gast. Maak je klaar, Guno. Vanavond wachten we hem op.”
Sulaika’s vader reikte Guno een goed onderhouden jachtgeweer aan, terwijl de broer zijn eigen geladen wapen gereedmaakte. Waar normale mensen de benen zouden nemen na zo’n horror-nacht, besloten de twee jonge mannen de strijd aan te gaan.
Toen de avond viel op 25 december, besloten Guno en zijn zwager niet opgesloten in de kamer te gaan zitten. “Als we binnen zitten, heeft hij de overhand,” zei de zwager. “We binden onze hangmatten gewoon buiten op de open gang vast. We blijven wakker en we wachten.”
Rond acht uur ‘s avonds zat de hele familie binnen achter gesloten deuren, terwijl Guno en zijn zwager buiten op de gang in hun hangmatten lagen, de jachtgeweren geladen en schotklaar op schoot. Het bos om hen heen was angstaanjagend stil. Geen krekels, geen kikkergeluidenโalsof het hele oerwoud zijn adem inhield voor wat er ging komen.
Rond de klok van tien uur verbrak een geluid de stilte.
“Jooowww… Jooowww!”
Het rauwe, zware roepen kwam sneller en dichterbij dan de nacht ervoor. Het bewoog zich vanaf de donkere zijweg van Never Road recht op het kamp af.
“Hij komt,” fluisterde de zwager, terwijl hij geruisloos uit zijn hangmat stapte en zijn geweer schouderde. Guno volgde zijn voorbeeld, zijn vingers strak om de trekker geklemd.
Ze keken strak in de richting van de open keuken. En daar, in het flauwe schijnsel van het maanlicht dat door het bladerdak viel, zagen ze het.
Het was geen doorzichtige geest of een zwevende yorka. Het was een fysieke, torenhoge gedaante. Een immens grote, zwaar gebouwde man die roerloos in de schaduw bij de keuken stond. Zijn gezicht was gehuld in een diepe duisternis die het maanlicht leek te absorberen, maar de contouren van zijn massieve lichaam waren overduidelijk. Een Busi Mangโeen van de oude, gevreesde wezens van de diepe jungle die de menselijke wereld schuwen en terroriseren.
“Hij is er,” zei de zwager ijskoud tegen Guno.
“Ja… ik ben ready,” antwoordde Guno met een stoot adrenaline door zijn aderen.
“We jagen hem weg zodat hij nooit meer terugkomt,” zei de zwager. Zonder een seconde te twijfelen stapte hij naar voren, richtte zijn jachtgeweer recht op de borst van de reusachtige gedaante en haalde de trekker over.
KABOEM!
De steekvlam van het geweer verlichtte het erf. Op exact hetzelfde moment richtte Guno zijn eigen jachtgeweer schuin omhoog in de lucht en vuurde twee snelle schoten af.
Het effect van de patronโde geladen munitie en het verbrande kruit dat als een vergif werkt voor dit soort duistere wezensโwas onmiddellijk voelbaar. Het schot van de zwager trof de gedaante vol, terwijl de kruitdampen van Guno’s schoten door de nachtelijke lucht sneden.
Een mensontkerende, rauwe pijnenkreet galmde over het hele terrein van Matapi Pasi:
“Aaahhhh… Aaahhhh… Sang yu doe?! Aaahhh… Aaahhhh!”
De gedaante deinsde achteruit, draaide zich om en vluchtte met zware, denderende stappen het diepe bos in. Het gekraak van brekende takken en het pijnlijke gegil van het wezen stikten langzaam uit in de verte van de jungle, totdat het na een half uur weer volkomen stil werd.
De zwager keek naar de duisternis waar het wezen was verdwenen, blies de rook uit de loop van zijn geweer en zei met een tevreden grachje tegen Guno:
“A boesmang ey frede a patron! Altijd iem soet gwa loktoe dan en iem sot taping, nooit moro a oew moeilijk yu!” (Die bosman is doodsbang voor patronen! Als je zo in de lucht en op hem schiet, komt hij je nooit meer lastigvallen!)
Die nacht sliep het hele gezelschap voor het eerst in dagen in alle rust. Geen gebank op de deuren, geen gefluit, geen valse stemmen. Alleen het vertrouwde geluid van kikkers en bosinsecten.
Het nieuwe jaar werd feestelijk gevierd op de post. Pas op 1 januari 2023 pakte de familie hun spullen om terug te keren naar Apoera. Maar net toen ze om zeven uur ‘s morgens de auto in stapten, klonk er vanuit de verste uithoek van het bos nog รฉรฉn keer een heel zacht, ver weg gegil.
Sulaika’s vader en haar broer keken kort naar het bospad en zeiden vastberaden: “Nooit meer dat hij hier dichtbij komt.”
Guno stapte in de auto en keek via de zijspiegel nog รฉรฉn keer achterom naar de smalle weg van Never Road. Onderweg naar huis schoten ze nog op pingo’s voor het avondeten, en rond de middag kwamen ze veilig aan in Apoera. Een ervaring rijker die hij en zijn vrouw hun hele leven nooit meer zouden vergeten…
โ Nog geen reacties