DE VROUW VAN DE COROPINA
Een waar gebeurd verhaal | 1942
Opgetekend in het dagboek van Joey
Ontvangen van een nazaat in Suriname, die anoniem wenst te blijven
Er zijn plekken in Suriname die je niet zomaar bezoekt en gewoon weer vergeet. Plekken waar de grond iets heeft vastgehouden. Iets wat niet wil loslaten, niet met de regen wegspoelt en niet vervaagt met de jaren. De Colakreek is zo’n plek. Voor velen van ons is het een vertrouwde bestemming — een plek van koelte, van lachen, van ontspanning op een zwoele middag. Kinderen springen er in het water, families spreiden er hun kleedjes uit, en de stemmen van badgasten vullen de lucht die al zo lang zwijgt over wat hier ooit is gebeurd.
Maar de kreek draagt een naam. En achter die naam schuilt een geschiedenis die in 1942 begon. Een geschiedenis van oorlog, van onschuld, van een daad die nooit ongestraft zou blijven. Dit is geen legende. Dit is geen verzinsel. Dit is wat een man heeft opgeschreven in zijn dagboek, en wat hij tot zijn dood met zich meedroeg.
Wij mochten dit verhaal ontvangen van een nazaat in Suriname, die anoniem wenst te blijven. Het is zijn plicht geweest om het door te geven. Het is onze plicht om het te vertellen zoals het is.
“Mijn naam is Joey. Ik was negentien jaar oud.”
Negen maanden eerder had ons vliegtuig geland op het vliegveld dat wij moesten bewaken — midden in de Surinaamse savanne, terwijl de wereld buiten deze jungle in brand stond. De Tweede Wereldoorlog had ons naar dit land gebracht, ver van huis, ver van alles wat wij kenden. Niet alleen het vliegveld moest beveiligd worden, maar ook de bauxietmijnen in de regio. Elke ton bauxiet die hier werd gewonnen, werd omgesmolten tot de romp van een gevechtsvliegtuig ergens boven Europa. De oorlog liep dus ook door dit land, al was het op een stille, onzichtbare manier.
Suriname was mooi, dat moest zelfs ik toegeven als jonge soldaat uit Chicago die gewend was aan beton en wind van het meer. Het weids savannelandschap, de hoge Mauritiuspalmen die stonden als wachters aan de horizon, de lucht vol geluiden die ik thuis nooit had gekend. Maar de hitte was meedogenloos. Die combinatie van vochtigheid en zon die recht op je schedel brandt, breekt je langzaam af van binnen als je er niet aan gewend bent. We sleepten ons door onze diensten en telden de dagen.
In onze vrije tijd maakten wij verkenningstochten door de omgeving. Er waren Indiaanse dorpen in de buurt van de luchthaven, en die bezochten wij met enige regelmaat. Als we er naartoe gingen, namen we altijd alcohol en andere goederen mee als blijk van respect voor de stamhoofden. Dat was ons ongeschreven protocol. De mensen ontvingen ons beleefd. De Indiaanse vrouwen in de dorpen waren mooi — vriendelijk in hun blik, maar bescheiden en terughoudend. Uit respect voor de ouderen hielden wij ook afstand. Zij van ons, wij van hen. Zo leefden wij naast elkaar in een soort stille afspraak.
“I’ll call this creek Cola Creek.”
Op een dag werden wij vroeg afgelost. Om één uur ‘s middags spraken wij met vijf collega’s af voor een verkenningstocht ten zuidwesten van het vliegveld. We namen wat alcohol mee voor de lange wandeling en baanden ons met machetes een weg door de savanne. Zwijgend, zwetend, stap voor stap.
Na een kilometer kwamen we op een pad dat duidelijk dagelijks belopen werd — de aarde was glad getrapt en de struiken langs de zijkanten waren netjes weggebogen. We besloten het te volgen en te zien waar het ons zou brengen. Na twee kilometer kwamen we uit bij een smal kreekje met opvallend donker water, vlakbij een Indiaans dorp. Het water was bijna zwart van de kleur, maar helder en rustig. Een collega barstte in lachen uit en wees naar het oppervlak: “Hey man, this looks like a coca-cola filled creek. Look at the color of the water.” En zo was het ook. Het donkere water glinsterde als het populaire drankje waar wij allemaal gek op waren. “I’ll call this creek Cola Creek,” zei hij. En zo was het.
We meldden de plek terug in het kamp. Een voorstel werd gedaan aan onze overste: maak er een officiële recreatieplek van voor de soldaten. Het budget werd vrijgemaakt. Wij bouwden kleine barakken, verbreedden de smalle kreek en metselden nette stoepranden langs de oevers. Het was zwaar werk in de brandende hitte. Maar niemand had er spijt van. Dit was onze plek. Onze Cola Creek.
Vrijdag 27 maart 1942.
We waren met dezelfde groep van vijf teruggekeerd naar onze kreek. De zon stond hoog, de lucht was dik van de hitte en wij hadden al een deel van onze drankvoorraad opgemaakt onderweg. In de verte, gehukt langs het water aan de oever, zat een jonge Indiaanse vrouw. Ze was bezig met haar eigen zaken en had ons nog niet opgemerkt.
“Nice girl at 12 o’clock,” zei Mike.
Hij liep meteen op haar af. Wij verspreidden ons en begonnen onze badlakens uit te spreiden op onze eigen plek. Maar dan hoorde ik een gil. Niet het soort gil van een kind dat schrikt — het was een luide, wanhopige kreet die door de savanne sneed en mijn maag omdraaide.
Ik stond op en rende erheen. Mike probeerde het meisje vast te houden en naar zich toe te trekken. Hij had gedronken, en zijn ogen hadden die lege, gevaarlijke blik die alcohol bij sommige mannen achterlaat. De anderen werden aangestoken door zijn gedrag. Wat volgde, is het zwartste moment van mijn leven. Ze sleepten haar mee naar een grote boom midden in de savanne. Ze verkrachtten haar om beurten.
Ik probeerde het te stoppen. Ik schreeuwde, ik greep ze vast, ik deed alles wat ik kon. Ik werd met vuistslagen neergeslagen. Een knie werd op mijn borst gedrukt, een hand klemde zich om mijn keel. Ik lag op de grond en kon niet bewegen. Vanuit die positie zag ik het bloed aan de bast van de boom. Ik zag wat er werd aangericht aan een meisje dat niets had gedaan dan was zitten aan de oever van haar eigen kreek.
“Bring her to the water,” hoorde ik Mike zeggen.
Ze sleepten haar naar het water. Ik werd omhooggetrokken en meegesleurd zodat ik het moest zien. Ze brachten haar de kreek in en gingen verder. Ze keek me aan — recht in mijn ogen — terwijl het water om haar heen opspatte. Ik zag de angst in haar gezicht. De onbegrip. De onschuld van iemand die niet kon begrijpen waarom de wereld haar dit aandeed.
Mike duwde haar onder het water. Hij hield haar lang onder. Ik schreeuwde zo hard als mijn longen het toelieten: “STOP IT MIKE, STOP IT!”
Hij trok haar één keer omhoog. Haar natte haar hing over haar gezicht als een gordijn. Toen ze dat haar opzij bewoog en mij aankeek, was de angst verdwenen. Wat ik in haar ogen zag, was iets anders. Iets wat dieper snijdt dan angst. Het was woede. Het was haat. De haat van iemand die weet dat het te laat is, maar die weigert te sterven zonder dat de wereld het heeft gezien.
Mike duwde haar voor de laatste keer onder het donkere water. Ze verdronk.
“Oh shit,” zei Mike.
Ze renden het water uit. Ze graaiden hun spullen bij elkaar. Ze renden terug naar het kamp en lieten haar lichaam achter in de kreek — het meisje dat zij hadden meegenomen naar dat water, alsof ze niets meer was dan iets wat je achterlaat.
Ik sprong het water in. Ik haalde haar eruit. Ik knielde naast haar op de stoeprand en probeerde haar te reanimeren — beademing, hartmassage, alles wat ik wist. Maar het was te laat. Ze was er niet meer. Ik legde haar lichaam naast het water neer, zo waardig als ik dat in mijn gebroken toestand kon. En ik rende terug naar het kamp met een gewicht op mijn borst dat ik nooit meer kwijt zou raken.
Het nieuws. De sjamaan. Het bloedverbond.
Het nieuws bereikte onze overste snel. Er was een lichaam gevonden. Een meisje. Maar officieel wist niemand wie de daders waren. De mannen zwegen. En ik zweeg ook — niet uit loyaliteit, maar uit angst. Als Mike tot dit in staat was, wat stond mij dan te wachten als ik sprak? Ik was de enige getuige die had geprobeerd het te stoppen. En dat had mij niets opgeleverd dan kneuzingen en nachtmerries.
Haar ouders vonden haar lichaam op de plek waar ik haar had neergelegd. En toen kwamen wij te weten wie haar vader was. De sjamaan van het dorp.
Er werd een ritueel uitgevoerd. Langs de kreek. In het water. Wij waren in ons kamp en konden het niet zien, maar wij voelden het — de manier waarop de lucht veranderde, zwaarder werd, alsof de savanne zelf zijn adem inhield.
Een Indiaanse jongen stond buiten ons kamp te schreeuwen. In zijn eigen taal, luid en zonder angst. Wij hadden tolken in ons kamp, en die vertaalden zijn woorden voor ons:
“Elke man die het water van de Coropina betreedt, drinkt, of op welke wijze dan ook gebruikt, zal sterven. De geest van de Coropina — onze dochter, ons bloed — zal wreken op hen die haar vermoord hebben.”
Het bloedverbond was gesloten. Niet met woorden die vervagen. Met water. Met het bloed van hun dochter. Met de kreek zelf.
De kreek nam mijn collega’s. Alle vier verdronken. Het waren geen ongelukken die je kunt verklaren met een rapport. Mike, die de kreek de naam had gegeven naar het populaire drankje, was de eerste die stierf. Na hem volgden de anderen. Een voor een. Het water haalde hen op.
En zo draagt die plek — waar wij nu zo onbezorgd zwemmen en lachen op een zwoele middag — nog altijd de naam die hij er die dag aan gaf. De naam van een man die dacht dat hij alles kon pakken wat hij wilde, en die niet begreep dat sommige plekken een geheugen hebben dat langer duurt dan een mensenleven.
De Colakreek.
Joey is op negentigjarige leeftijd overleden. Dit verhaal is opgetekend uit zijn dagboek en werd doorgestuurd door een nazaat in Suriname, die anoniem wenst te blijven.
Dit is geen fictie. Dit is geschiedenis.
www.watmennietzegt.com
◈ Nog geen reacties